
Orgel
Het orgel van Haringe is het pronstuk van de kerk en één van de meest waardevolle historische kerkinstrumenten. Het dateert van 1778 en werd gebouwd door vader en zoon Pieter en Lambert Van Peteghem, de eerste generaties van de gekende Gentse orgelbouwfamilie. Pastoor Vormezeele betaalde er bijna 6000 gulden voor, in die tijd een klein fortuin. Het is het enige grote Van Peteghemorgel uit de 18de eeuw dat nooit werd aangepast en precies omwille van die authenticiteit is het orgel een uniek instrument dat organisten uit de hele wereld begeestert.
Het orgel telt in totaal bijna 1900 pijpen, drie handklavieren en een merkwaardig voetklavier en werkt - op de blaasbalgen, die wel werden gemoderniseerd, na - volledig mechanisch. De pijpen bestaan hoofdzakelijk uit tin, en dat geeft het orgel een malse, ronde toon.
Bovenaan waken drie grote houten beelden. Tussen koning David met harp en de Heilige Cecila met een armorgel wordt de Heilige Kerk als moeder uitgebeeld door een vrouw met een tiara op en met een kelk in de linker- en een sleutel en kruis in de rechterhand.

Niet alleen het orgel maar ook het oksaal is een parel. Het houtsnijwerk is van Jan Elshoecht uit het Frans-Vlaamse Sint-Winoksbergen (Bergues). In de balustrade prijken verschillende kunstig uitgesneden barokinstrumenten en hij ‘ondertekende’ zijn werk aan de voet van de middelste hoge pijpenbundel met een schelpversiering en daarin ‘1778 J.Elshoecht fecit’.

